Als arts zijn we opgeleid om problemen te herkennen en op te lossen.
Dat is een grote kracht.
Soms wordt diezelfde kracht ook een valkuil.
Tijdens een individuele communicatietraining besprak ik een consult met een arts dat haar was bijgebleven.
“Mijn man is jaloers als ik borstvoeding geef”
De arts vroeg aan een moeder van een baby van negen maanden hoe de borstvoeding verliep.
“Goed”, antwoordde de moeder.
De arts vroeg verder:
“Vertel daar eens wat meer over.”
De moeder vertelde dat haar baby nog twee nachtvoedingen kreeg.
Later in het gesprek zei ze:
“Mijn man is jaloers als ik borstvoeding geef.”
De arts pikte dat terecht op als een belangrijk signaal.
En reageerde meteen:
“Misschien kan hij dan af en toe een flesje geven?”
Een logische reactie. Maar ook een interessante.
Want eigenlijk weten we op dat moment nog niet waar die opmerking over gaat.
Het gevaar van te snel interpreteren
Wanneer een patiënt iets vertelt, beginnen zorgverleners vaak onmiddellijk verbanden te leggen.
Dat gebeurt meestal onbewust.
We horen een uitspraak en denken meteen:
- Ah, dit gaat over vermoeidheid.
- Ah, dit gaat over de voeding.
- Ah, dit gaat over de rol van de vader.
- Ah, hier moet een oplossing voor gevonden worden.
Maar weten we dat ook echt?
In deze casus kon de uitspraak van de moeder verschillende betekenissen hebben.
- Misschien ging het over voeding.
- Misschien ging het over de relatie tussen beide ouders.
- Misschien ging het over aandacht.
- Misschien ging het over de band tussen vader en kind.
- Misschien ging het over iets totaal anders.
Het probleem is niet dat de arts verkeerd dacht.
Het probleem is dat ze nog niet wist of haar interpretatie klopte.
Waarom artsen vaak te snel met oplossingen komen
Dit patroon zie ik regelmatig tijdens communicatietrainingen voor artsen.
Niet omdat artsen slecht luisteren. Integendeel. Vaak gebeurt het juist omdat ze sterk betrokken zijn bij hun patiënten. Ze willen helpen. Ze zien mogelijke problemen snel aankomen. Ze willen voorkomen dat een situatie erger wordt. Daardoor springen ze soms al naar een oplossing voordat duidelijk is of de patiënt zelf een probleem ervaart.
En daar kan weerstand ontstaan. Want mensen houden er zelden van wanneer iemand een oplossing aanbiedt voor een probleem dat zij zelf nog niet als probleem zien.
Goede communicatie begint met nieuwsgierigheid
Wat werkt dan wel? Vertragen. Nieuwsgierig blijven. Vragen stellen voordat je adviseert. Bijvoorbeeld:
- “Wat bedoel je daarmee?”
- “Vertel daar eens wat meer over.”
- “Hoe ervaar jij dat?”
- “Hoe kijk jij daar zelf naar?”
Dat zijn eenvoudige vragen, maar ze hebben een groot effect. Ze helpen je begrijpen wat de patiënt werkelijk bedoelt. Pas dan weet je ook waarbij je kunt helpen.
Wanneer is advies wel zinvol?
Sommige zorgverleners trekken hieruit de verkeerde conclusie. Ze denken dat ze nooit meer advies mogen geven. Dat is natuurlijk niet de bedoeling. Patiënten komen vaak net voor onze expertise. Advies geven is een belangrijk onderdeel van het artsenberoep.
De vraag is alleen: wanneer geef je het? Idealiter sluit je advies aan bij een hulpvraag die de patiënt zelf heeft geformuleerd. Je kunt die hulpvraag helpen verkennen door vragen te stellen. Je kunt onderzoeken wat iemand belangrijk vindt.
Maar zodra je te snel invult wat volgens jou het probleem is, riskeer je weerstand.
De paradox van helpen
Artsen willen zo graag helpen dat ze ongemerkt een vraag beantwoorden die nog niet gesteld is. En soms is de meest behulpzame reactie geen advies. Soms is het nog één vraag extra. Dat lijkt eenvoudig.In de praktijk is het verrassend moeilijk.
Wil je leren hoe je patiënten in beweging krijgt zonder te overtuigen, duwen of trekken? In mijn individuele coaching en communicatietrainingen voor artsen oefenen we precies dit soort situaties aan de hand van echte consulten uit de praktijk.

